ma t/m vr: vanaf 11:00 | za: vanaf 15:00 | zo: gesloten

Historie Sliedrecht

De naam Sliedrecht wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van 2 mei 1064 van de hand van de Duitse keizer Hendrik IV aan de bisschop van Utrecht.


De oorsprong van de naam Sliedrecht komt volgens een lokale schrijver: Slie zou wijzen op een Germaans woord dat slik betekend, het achtervoegsel drecht is van Nederfrankische oorsprong en betekent overtocht.
 Kortom Overtocht over slibberig water dus.

Vanwege de regelmatige terugkerende hoge waterstanden en overstromingen, en omdat de bodem van de polder slechte landbouwgrond was, hebben landbouw en veeteelt nooit een belangrijke rol gespeeld. Men verdiende vooral geld in de visserij, vlasbewerking, het snijden  en drogen van biezen voor het maken van bijv. manden, korven en stoelen.

Doordat het gevecht tegen het water steeds belangrijker werd, ontstond er een nieuw beroep: de dijkwerker.

Veel buitenaf werkende dijkwerkers kwamen uit Sliedrecht. Deze brijhappers( brij=modder) stonden al snel bekend om hun vakmanschap en de kennis van zaken waarop rijshout moest worden geteeld. ( voor het maken van matten voor dijken)

Ontstaan van de baggerindustrie: Het financieren van grote grond en dijkwerken met de nodige risico’s was in de 16 en 17 eeuw voorbehouden aan rijke mensen uit de grote steden. Zij gebruikten dijkwerkers uit Sliedrecht om hun kennis. In Sliedrecht durfde men zelf deze risico’s niet aan.


In het begin was het nog met primitieve middelen, pas in 1818 begon men met een paardenmolen. Toen de eerste stoomraderboten op de Merwede verschenen, kwam Adriaan Volker op het idee van de stoombaggermolen. In 1864 kon zijn bedrijf de eerste stoombaggermolen aanschaffen en zijn ideeën werden al snel overgenomen door anderen in het dorp.

Ondanks het feit dat enkele baggermaatschappijen niet meer in Sliedrecht zijn gevestigd, blijft Sliedrecht voor Nederland en de rest van de wereld nog altijd ‘het baggerdorp’
Voor meer informatie kunt U altijd terecht bij het Nationale Baggermuseum